Producenten van margarines, vetten en oliën
Productschap voor Margarine, vetten en Oliën, (MVO)
Samenwerkingsverband tussen producenten en afnemers van oliën en vetten. Het doel van de Task Force is het verlagen van de hoeveelheid verzadigd vet en transvet in de voeding.
Kennisartikel
Vloeibaar vet in de voeding
‘Vloeibare vetten zijn gezonder dan vaste vetten’, deze boodschap wordt al enkele -jaren -verkondigd. Maar eten we ze ook? En leidt de consumptie van vloeibare vetten tot een betere, gezondere -vetzuursamenstelling van de voeding? Om deze vragen te kunnen -beantwoorden heeft TNO Kwaliteit van Leven aanvullende analyses uitgevoerd op de gegevens van de -Voedselconsumptiepeiling 2003. Het onderzoek toont aan dat een gebruik van -(overwegend) vloeibaar bereidingsvet gunstiger is voor de vetzuursamenstelling van de -Nederlandse voeding dan het gebruik van vaste bereidingsvetten.
Vloeibare vetten bevatten veel onverzadigde vetzuren. Vaste vetten bevatten relatief veel -verzadigde vetzuren. Zoals bekend, hebben onverzadigde vetzuren een gunstig effect op het -cholesterolgehalte in het bloed, terwijl verzadigde vetzuren juist een ongunstig effect hebben.
OnderzoekIn 2003 is een beperkte voedselconsumptiepeiling uitgevoerd onder 750 mannen en vrouwen tussen 19 en 30 jaar. Bij de diepteanalyses door TNO Kwaliteit van Leven is nagegaan wat de inname van vet en vetzuren door gebruikers van vloeibare margarine en bak- en braadproducten is, vergeleken met de inname door gebruikers van vaste vetten. Ook is gekeken wat de bijdrage van margarine, halvarine en bak- en braadvetten aan de inname van vet en vetzuren is.
Gebruik van verschillende smeer- en bereidingsvetten
Uit het onderzoek bleek dat vrouwen margarines met een lager gehalte aan verzadigd vet minder gebruiken dan -margarines met een hoger gehalte aan verzadigd vet. Mannen kiezen wel voor de (zachtere) margarines met een lager gehalte aan verzadigd vet. Bij halvarines ligt dit net andersom. Bij bak- en braadvetten en frituurvetten -worden de (vloeibare) producten met een laag gehalte aan verzadigd vet ongeveer evenveel gebruikt als de vaste producten. Hierbij geldt dat de gemiddelde -consumptie van bereidingsvetten door -mannen vrijwel steeds die van vrouwen overtrof. Dit is weergegeven in figuur 1.

Figuur 1. Consumptie (g/d) van verschillende type bak- en braadvetten, margarines, halvarines en frituurvetten. Bron: TNO-rapport V6542
Voor dit onderzoek is de onderzoekspopulatie verdeeld in drie groepen naar gebruik van type bereidingsvet bij de warme maaltijd (zie tabel 1).
- Gebruik van uitsluitend vloeibare bereidingsvetten (vloeibare bak- en braadproducten, -margarines en/of oliën)
- Gebruik van zowel vloeibare als vaste producten
- Gebruik van uitsluitend vaste bak- en braadproducten en/of margarines.
Hierbij blijkt dat gebruikers van uitsluitend vloeibare bereidingsvetten een significant lagere inname van verzadigde -vetzuren hebben dan gebruikers van uitsluitend vaste vetten. Dit geldt, in mindere mate, ook voor een gecombineerd gebruik van vloeibare en vaste vetten. Ook is de inname van -onverzadigde vetzuren bij de gebruikers van vloeibare -bereidingsvetten significant hoger. Deze verbanden werden zowel waargenomen voor mannen als voor vrouwen.
| Mannen | Vrouwen | |||||
| Groep | 1: vloeibaar
n = 82 |
2: vast n = 117 |
3: beide
n = 122 |
1: vloeibaar
n = 109 |
2: vast n = 124 |
3: beide
n = 110 |
| Energie (kcal) | 2570 | 2820 | 2800 | 1860 | 1960 | 1920 |
| Totaal vet (g)
Verzadigd vet (g) Onverzadigd vet (g) Transvet (g) |
96
34 52 3 |
106
41 54 3 |
109
40 58 3 |
73
26 39 2 |
77
30 38 3 |
73
27 38 3 |
| Totaal vet (en%)
Verzadigd vet (en%) Onverzadigd vet (en%) Transvet (en%) |
33,8
12,0 18,3 1,0 |
33,8
13,1 17,2 1,0 |
34,5
12,8 18,6 1,0 |
34,9
12,6 18,7 1,1 |
35,0
13,9 17,4 1,1 |
33,4
12,4 17,4 1,1 |
Tabel 1. Inname van energie en vetten voor jongvolwassenen naar type bereidingsvet. Bron: TNO-rapport V6542
Bij het gebruik van type bereidingsvet speelt de opleiding een rol, zo blijkt uit het onderzoek. Uitsluitend vloeibare -bereidingsvetten worden meer gebruikt door personen met een hoge opleiding en uitsluitend vaste vetten door personen met een lage opleiding.
Bronnen: Hulshof KFAM, Ocke MC, van Rossum CTM, et al. Resultaten van de voedselconsumptiepeiling 2003. RIVM-rapport 350030002/2004, TNO-rapport V6000, Bilthoven 2004. Hulshof KFAM, Doest D ter. Aanvullende berekeningen met betrekking tot de consumptie van zichtbare vetten bij jongvolwassenen. Voedselconsumptiepeiling 2003; TNO-rapport V6542. Zeist 2005


